Sfeerbeeld
zoek op trefwoord
zoek op categorie
stel een vraag

Vraag en antwoord

 


Vraag:

In een hal met portalen en met een langsstabiliteitsverband is elk van deze portalen een geschoord raamwerk. Is nu het middelste portaal voor deze hal het maatgevende raamwerk, omdat daar uI;el het grootst is? Moet er bij de bepaling van uI;el tevens rekening worden gehouden met gatspeling?
En zo ja, op welke wijze? Is toetsing in NEN 6770 op ul;el eigenlijk niet overbodig, aangezien NEN 6702, art. 10.3, al een eis stelt aan de totale horizontale doorbuiging?


Antwoord:

Toetsing van een geschoord raamwerk aan NEN 6770, art. 10.1.3.2.3, heeft onder meer de volgende consequenties met betrekking tot tweede-orde effecten:

- bij een star geschoord raamwerk hoeft hiermee geen rekening te worden gehouden;
- bij een flexibel geschoord raamwerk moet hiermee wèl rekening worden gehouden, zie ook NEN 6771, art. 10.2.6.1.3.

Het langsstabiliteitsverband in het dak verzorgt de dwarsstabiliteit van de hal, samen met bijvoorbeeld windbokken in de kopgevels. Dit langsverband is dan een vakwerkligger op twee steunpunten (de windbokken). Onder invloed van een horizontale belasting is de doorbuiging dan in het midden het grootst. Deze doorbuiging is inderdaad maatgevend voor de bepaling van u1;el en daardoor voor de classificatie van de portalen.
Afhankelijk van de stijfheid van bedoelde vakwerkligger, kunnen de meeste portalen star geschoord zijn en enkele portalen flexibel geschoord. Het is overigens raadzaam dit verschil in classificatie om praktische redenen te voorkomen door het langsstabiliteitsverband zo stijf te maken dat alle portalen star geschoord zijn.
Bij de bepaling van u1;el hoeft niet te worden gerekend op gatspeling, omdat deze voor elk boutgat willekeurig is gericht. In de norm wordt daarom gatspeling niet genoemd. In de praktijk maakt men doorgaans elke diagonaal in het windverband enkele millimeters korter dan de theoretische lengte. Tijdens de montage worden daardoor de afzonderlijke staven in het dak strak tegen elkaar aan getrokken.
NEN 6702, art. 10.3, stelt een eis aan de totale horizontale doorbuiging van de hal, bijvoorbeeld h/150 voor een industrieel gebouw. Hierin is h de hoogte van de gevel. Deze eis heeft uitsluitend betrekking op een werkelijk aanwezige of optredende belasting. Dat is niet het geval bij de bepaling van u1;el waar met een fictieve horizontale kracht wordt gerekend!
Beide toetsingen van de horizontale doorbuiging zijn dus noodzakelijk, omdat de eisen betrekking hebben op twee totaal verschillende aspecten. De toetsing volgens NEN 6770 heeft betrekking op de grootte van het tweede-orde effect en de toetsing volgens NEN 6702 op de bruikbaarheid van het gebouw.


Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 123 (april 1995).


Relevante normen:
Louis Braillelaan 80      2719 EK  Zoetermeer      Tel: +31(0)88 353 12 12      Contact      Colofon      Disclaimer      Sitemap
Bouwen met Staal  © 2017      Uitvoering: Bruikman Reclame  +  LinkmasterMonkey