Sfeerbeeld
zoek op trefwoord
zoek op categorie
stel een vraag

Vraag en antwoord

 


Vraag:

Bij de bepaling van de lokale windfactoren volgens de figuren 28a, 28b en 28c van NEN 6702, hangen de waarden voor de windvormfactoren af van het oppervlak van het dak- of gevelelement. Dit oppervlak be´nvloedt echter niet de geometrie van het bouwwerk en dus ook niet het effect van de wind op het bouwwerk. Wat is nu de relatie tussen het oppervlak van het dragende element en de windvormfactor?


Antwoord:

Volgens NEN 6702, art. 8.6.4.3, moet rekening worden gehouden met het effect van een verhoging van de windbelasting voor de dimensionering van onderdelen en hun bevestigingen. Omdat een windvlaag beperkt van omvang is, mag bij het groter worden van het aangeblazen oppervlak de windbelasting worden gereduceerd. De winddruk is maximaal indien de wind loodrecht aangrijpt op het oppervlak. Aangezien de maximale winddruk altijd optreedt bij windvlagen, en vlagen altijd van richting veranderen, zal de maximale winddruk slechts gedurende korte tijd optreden (max. 15 seconden). Hiervoor geldt een windvormfactor van 0,8. Windzuiging treedt normaal op door onderdruk aan de achterzijde van het bouwwerk als gevolg van de snelheid van de wind die langs het bouwwerk waait. De bijbehorende windvormfactor bedraagt 0,4. Daarnaast treden er om de randen van bouwwerken turbulentie op, waardoor de windzuiging plaatselijk sterk toeneemt. Dit effect is maximaal, indien de wind het voorvlak onder een schuine hoek aanblaast. Hierdoor kan de locale windvormfactor oplopen tot 2,5.


Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 124 (juni 1995).


Relevante normen:
Louis Braillelaan 80      2719 EK  Zoetermeer      Tel: +31(0)88 353 12 12      Contact      Colofon      Disclaimer      Sitemap
Bouwen met Staal  © 2017      Uitvoering: Bruikman Reclame  +  LinkmasterMonkey