Sfeerbeeld
zoek op trefwoord
zoek op categorie
stel een vraag

Vraag en antwoord

 


Vraag:

In een constructie moet een dikke plaat van 40 mm worden gelast. Uit een sterkteberekening blijkt dat een keeldoorsnede a = 4 mm voldoet. Is deze maat voldoende om (koud)scheuren te voorkomen of moet er altijd een minimale keeldoorsnede worden aangehouden? In de praktijk circuleren namelijk tabellen met vuistregels voor deze minimale dikte. Welke waarde moet aan deze tabellen worden toegekend?


Antwoord:

De benodigde dikte van een las moet in de eerste plaats worden bepaald door een berekening. Een vuistregel die veel wordt gehanteerd luidt: keeldoorsnede = halve plaatdikte + 1 mm. Deze vuistregel leidt echter voor dikke platen tot veel te zware lassen. De waarde die moet worden toegekend aan diverse ontwerptabellen voor het bepalen van de minimale hoeklas is gering. Oorspronkelijk zijn deze tabellen opgesteld om koudscheuren of waterstofbrosheid te voorkomen. In het algemeen komen deze tabellen uit de Amerikaanse normen. Dat blijkt vaak al doordat de ‘grenzen’ in de tabel worden aangegeven als 12 mm, 19 mm en 38 mm (respectievelijk 0,5’, 3/4’ en 1,5’). Alleen al het feit dat deze tabellen niets zeggen over de staalsoort en/of de staalkwaliteit geeft aan dat de waarde van deze tabellen minimaal is. In de huidige Amerikaanse praktijk komen dit soort tabellen echter nog altijd voor, bijvoorbeeld in de Manual of Steel Construction van het American Institute of Steel Constuction. Gezien de huidige stand van het lassen en de beschikbaarheid van moderne materialen zijn deze tabellen in het algemeen te pessimistisch. Volgens de huidige NEN-EN 1090-2 moet, conform art. 7.4, worden gewerkt met goedgekeurde lasmethodebeschrijvingen waarmee de leverancier van de staalconstructie moet aantonen dat de door hem te leggen las voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Een voordeel van deze methode is dat de leverancier van de constructie zelf kan bepalen hoeveel moeite hij wil doen om tot een geringe lasdikte te komen, uiteraard afhankelijk van de hoeveelheid laswerk. Ten overvloede wordt opgemerkt dat bij de lasmethodekwalificatie gebruik moet worden gemaakt van hetzelfde moedermateriaal, hetzelfde lasproces, dezelfde positie en dezelfde lastoevoegmaterialen als bij de definitieve uitvoering van de las. Overigens moet ook rekening worden gehouden met art. 7.2.2.4 van NEN 6770 ten aanzien van de vervormingscapaciteit van gelaste verbindingen. Een plaat van 40 mm die met lassen met een keeldoorsnede van 4 mm is gelast, zal in het algemeen onvoldoende vervormingscapaciteit bezitten en dus een bros breukgedrag (bezwijken zonder waarschuwing) vertonen. Een algemene richtlijn voor de dikte van hoeklassen is derhalve niet te geven. Afhankelijk van zeer veel factoren moet de constructeur voor elk geval apart zelf een beoordeling maken.


Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 159 (april 2001).


Relevante normen:
Louis Braillelaan 80      2719 EK  Zoetermeer      Tel: +31(0)88 353 12 12      Contact      Colofon      Disclaimer      Sitemap
Bouwen met Staal  © 2017      Uitvoering: Bruikman Reclame  +  LinkmasterMonkey