Sfeerbeeld
zoek op trefwoord
zoek op categorie
stel een vraag

Vraag en antwoord

 


Vraag:

Het nieuwe Bouwbesluit stelt géén eis meer aan de doorbuiging van vloeren. Wat betekent dat voor de praktijk?


Antwoord:

In het Bouwbesluit 2003 is inderdaad niets meer te vinden over de maximaal toelaatbare doorbuiging van vloeren. Opdrachtgevers, ontwerpers, constructeurs en bouwers moeten dat voortaan zelf privaatrechtelijk regelen, bijvoorbeeld in het contract of in het bestek. Geadviseerd wordt echter om daarbij gebruik te blijven maken van de relevante afspraken uit hoofdstuk 10 van NEN 6702.
Het verdwijnen van de eis aan de maximale doorbuiging van vloeren is het gevolg van het streven van de overheid om regelgeving zoveel mogelijk te beperken tot datgene was écht noodzakelijk is. Dat gebeurt in het kader van het project ‘Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit’ van het ministerie van Economische Zaken. Eén van de uitgangspunten daarbij is om zoveel mogelijk zaken over te laten aan de ‘markt’ en daar de verantwoordelijkheid te leggen om nadere afspraken te maken. De overheid beschouwt doorbuiging als een onderwerp waarbij de veiligheid van mensen niet in het geding is. De wetgever gaat er hierbij van uit dat de markt voldoende zelfregulerend is. Dat betekent onder meer dat een aanvraag voor een bouwvergunning niet meer wordt getoetst op de doorbuiging van een vloer. Ook bij bestaande gebouwen is een fors doorbuigende vloer dus geen reden meer voor een aanschrijving door Burgemeester en Wethouders of voor een onbewoonbaarverklaring.

Privaatrechtelijk gebruik van NEN 6702
Een privaatrechtelijke regeling houdt in dat opdrachtgevers zelf moeten nagaan of doorbuiging van vloeren een zaak is waarover nadere afspraken moeten worden vastgelegd in het programma van eisen of in het bestek. Het meest voor de hand ligt om hoofdstuk 10 van NEN 6702 standaard van toepassing te verklaren. De eisen die hierin zijn vastgelegd zijn immers het resultaat van jarenlange ervaring. Het zijn bovendien eisen waarin iedereen zich wel kan vinden.

Uitgangspunten bij doorbuigingseisen
Het belangrijkste uitgangspunt van NEN 6702 bij doorbuigingseisen is dat vervormingen van constructies of constructieonderdelen in de gebruikstoestand het doelmatig functioneren niet mogen belemmeren. Of dat het geval is, hangt af van het gebruik van de vloer. Zo kunnen in industriële ruimten zwaardere eisen met betrekking tot de vlakheid van een vloer nodig zijn, bijvoorbeeld bij machines die ten opzichte van elkaar moeten worden uitgelijnd of bij hoogbouwmagazijnen.
Voor vloeren waarop steenachtige scheidingswanden rusten geeft NEN 6702 aan dat de doorbuiging extra moet worden beperkt om scheurvorming te voorkomen. Dat geldt nog sterker bij uitkragende vloeren. De eis in NEN 6702 aan de maximale doorbuiging in de eindtoestand (0,004) komt ook voort uit esthetische overwegingen. Die overwegingen zijn moeilijk te objectiveren en hangen onder meer af van de wijze van belichten, het bestaan van referentielijnen en de gewenste visuele vlakheid van de constructie. Daarom kunnen bijvoorbeeld bij vloeren van fabriekshallen, loodsen of bergruimten grotere doorbuigingen worden toegelaten.
Het aanbrengen van een zeeg geeft de mogelijkheid een grotere doorbuiging toe te laten, terwijl toch aan de eis in NEN 6702 wordt voldaan. Wanneer een deel van de doorbuiging in de eindtoestand wordt ‘weggewerkt’ door een vlakke vloer- en plafondafwerking hoeft dit deel van de doorbuiging niet in de eis te worden begrepen.


Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 173 (augustus 2003).


Relevante normen:
Louis Braillelaan 80      2719 EK  Zoetermeer      Tel: +31(0)88 353 12 12      Contact      Colofon      Disclaimer      Sitemap
Bouwen met Staal  © 2017      Uitvoering: Bruikman Reclame  +  LinkmasterMonkey