Sfeerbeeld
zoek op trefwoord
zoek op categorie
stel een vraag

Vraag en antwoord

 


Vraag:

Een kantoorgebouw heeft een vide over drie bouwlagen met een balustrade langs de randen. NEN 6702 geeft regels in art. 8.2.6 (vloerafscheidingen ter plaatse van een hoogteverschil) en in art. 9.6 (stootbelasting op afscheidingen ter plaatse van een hoogteverschil) om dergelijke balustraden te berekenen. De horizontale belasting op de balustrade in art. 8.2.6, tabel 9 is echter vele malen lager dan die in art. 9.6.2 en 9.6.3. Heeft een berekening volgens art. 8.2.6 dan nog wel zin, of is een berekening op stootbelasting niet altijd noodzakelijk?


Antwoord:

Het berekenen van vloerafscheidingen op bijzondere belastingen (stootbelasting volgens NEN 6702, art. 9.6.2 of 9.6.3) moet worden beschouwd als een aanvulling op de berekening op veranderlijke belastingen volgens NEN 6702, art. 8.2.6. Het uitgangspunt bij een berekening volgens art. 9.6.2 en 9.6.3 is dat de constructie de volledige energie opneemt en dat het botslichaam oneindig stijf is. Dit heeft als gevolg dat de berekening een conservatiever resultaat oplevert dan de toetsing van een dynamische belasting met een lichaam dat wel botsenergie absorbeert. Het is voor alle betrokkenen in een project van belang om in de voorbereidingsfase van de bouw al te weten of een vloerafscheiding voldoet aan de sterkte-eisen volgens NEN 6702. Vaak vraagt bouw- en woningtoezicht hiervoor een berekening. Het ontbreken van een controle door middel van een sterkteberekening vooraf veroorzaakt in de praktijk regelmatig problemen, met name wanneer voor de vloerafscheiding glas wordt gebruikt. Voor de fundamentele belastingcombinaties met veranderlijke belastingen (puntlast en lijnlast) leidt een sterkteberekening doorgaans tot acceptabele afmetingen van de balustrade. Een berekening met de bijzondere belasting (statisch equivalent van de stootbelasting) levert veelal buitenproportionele afmetingen op. Een belastingproef met een zak glaskogeltjes leidt bijna altijd wel tot acceptabele afmetingen. Bedenk echter dat het resultaat van een enkele belastingproef niet rechtstreeks mag worden vergeleken met de inhoud van NEN 6702, omdat óók met de statistiek rekening moet worden gehouden. De herziene versie van TNO-Bouw-rapport B92-1143 (april 2004) bevat aanwijzingen voor het uitvoeren van de proeven en het rekening houden met de statistiek. In de praktijk is gebleken dat – indien vooraf met een berekening is aangetoond dat wordt voldaan aan de fundamentele belastingcombinaties – de constructie doorgaans niet bezwijkt bij een belastingproef met de zak met glaskogeltjes, afhankelijk van de afmetingen van de constructie. Art. 9.6.2 en art. 9.6.3 van NEN 6702 maken geen deel uit van het Bouwbesluit 2003, maar zijn conservatieve benaderingen van art. 9.6.1 die wél deel uitmaakt van het Bouwbesluit 2003. De aanvrager van de bouwvergunning moet aannemelijk maken dat zijn oplossing aan het Bouwbesluit 2003 zal voldoen. Een gemeente kan een berekening niet afdwingen, maar de aanvrager moet dan op andere wijze aantonen dat de stootbelasting kan worden doorstaan. Er is nog een tweede cruciaal verschil tussen de belastingen uit hoofdstuk 8 en die uit hoofdstuk 9 van NEN 6702. In hoofdstuk 9 gaat het om een belasting die na eenmalig optreden mag leiden tot zodanige beschadingen en vervormingen dat herstel en reparatie daarna binnen de referentieperiode als ‘gewoon’ wordt beschouwd. Daarentegen mag een belasting volgens hoofdstuk 8 gedurende de gehele referentieperiode niet leiden tot bezwijken. Dat laatste mag echter wel indien de constructie tijdig waarschuwt en vervangbaar is en wanneer daarover in het kader van de bouwvergunningverlening nadere afspraken zijn gemaakt.


Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 199 (december 2007).


Relevante normen:
Literatuur:
Louis Braillelaan 80      2719 EK  Zoetermeer      Tel: +31(0)88 353 12 12      Contact      Colofon      Disclaimer      Sitemap
Bouwen met Staal  © 2017      Uitvoering: Bruikman Reclame  +  LinkmasterMonkey